In de regio N.W. Overijssel bevinden zich de natuurgebieden 'Wieden' en 'Weerribben'. De Weerribben is een Nationaal Park en beslaat een areaal van 3.000 hectare natuurgebied. De Weerribben is aangewezen als Natura 2000-gebied zie bijlage.
De Weerribben is samengegaan met de Wieden; dat gaat over nog eens 6.000 hectare natuur. De Weerribben is uniek door de vele (met name zeldzame) flora en fauna. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de vuurvlinder of de otter.
Het gebied 'de Weerribben' is ontstaan door de vervening. Men groef het veen op handkracht weg en legde het op de legakker, de ribbe genaamd; er bleef een petgat over, de weer genaamd. Vandaar ook de naam 'Weerribben'. Omdat het door mensenhanden gemaakt is, is het dan ook geen natuurgebied, maar een cultuurgebied.
Toen er niet meer aan vervening gedaan werd, groeiden de petgaten weer dicht, dit heet verlanding, daardoor begon er riet te groeien. Het riet werd gesneden en gebruikt voor dakbedekking.
Toen de verlanding doorzette, en de kragge dus dikker en droger werd, groeide er minder riet; Doordat de opbrengst minder werd, lieten de rietsnijders het riet staan, waardoor er op de percelen bos begon te ontstaan.
Een dergelijke ontwikkeling was uiteraard niet gewenst; Staatsbosbeheer wil geen moerasbos. Om deze ontwikkeling terug te dringen, is het zomermaaien in het leven geroepen. Dit houdt in dat percelen als hierboven genoemd in de zomer gemaaid moesten worden.
In het navolgende zal ik nader omschrijven wat zomermaaien is en hoe de werkzaamheden uitgevoerd worden; tevens zal ik daarbij aandacht besteden aan het waterpeil, de gevolgen van het zomermaaien voor de plantengroei, de otter en de vuurvlinder.
Uiteindelijk zal ik dan bekijken of het beoogde doel, het tegengaan van de verbossing geheel dan wel gedeeltelijk is bereikt.
Het zomermaaien wordt gedaan door Staatsbosbeheer en riettelers. Bepaalde door Staatsbosbeheer aangegeven percelen moeten in de zomer worden gemaaid.
Door het zomermaaien stimuleer je de groei, waardoor er voedingsstoffen aan de grond worden onttrokken. Daardoor ontstaat verschraling van de bodem en dat heeft weer tot gevolg dat er andere planten gaan groeien. Dit geldt alleen als er niet bemest wordt.
Om bemesting tegen te gaan moet het gemaaide gewas van het land verwijderd worden, dit wordt door verbranding, dan wel wegschuiven gedaan.
Het zomermaaiwerk wordt elk jaar door Staatsbosbeheer uitbesteed d.m.v. een werkovereenkomst. De werkzaamheden bestaan uit het maaien van gewas en het ruimen van gewas door branden dan wel in bossage schuiven.
Ik werk ook mee aan het zomermaaibeheer en heb een perceel van plm. 14 hectare op de werkovereenkomst van Staatsbosbeheer. Ik heb dit perceel reeds 20 jaar in beheer en de kwalificatie van het land is inmiddels gewijzigd. Van oorsprong was dit perceel boerengrasland. Het is van graskruidenmix (pitrus en rietgras etc.) in nat-vochtig-schraalland, categorie 10.01 veranderd.
Toen ik plm. 20 jaar geleden begon met zomermaaien, gebruikte ik een een-asser. Er groeide in die tijd alleen pitrus en rietgras. Vanaf het 2e jaar ben ik met een lichte trekker, zwaarder dan een een-asser gaan maaien en daarna kwam er een heel scala aan andere planten bij. Er groeide zelfs een nachtorchis; daarom vroeg Staatsbosbeheer of ik het betreffende perceel later wilde maaien i.v.m. de zaadvorming van de bloem.
Na het maaien wordt het gewas aan oppers gezet en vervolgens verbrand. Door het afvoeren van het gemaaide gewas komen in dit gebied inmiddels veel soorten planten en dieren voor Zie bijlagen.
Omdat mijn zomermaaiperceel dicht bij de bebouwde kom en nabij een camping gelegen is, kleefde er wel een nadeel aan het branden. De mensen hadden er geregeld hinder van. In overleg met Staatsbosbeheer is toen besloten om het gemaaide gewas zoveel mogelijk tussen de bomen te schuiven. Een andere optie was om het gemaaide in balen te persen en af te voeren. Hier kan Staatsbosbeheer niet aan meewerken, want daar is geen geld voor beschikbaar.
Nu ligt het perceel voor boezempeil. Het boezempeil is 's zomers (maart-oktober): max. -0,73 NAP; min. -0,83 NAP. Het boezempeil is 's winters (oktober-maart): -0,83 NAP, met 10cm bergingscapaciteit voor natte periodes.
Het waterpeil heeft gevolgen voor het natuurdoeltype. Indien het waterpeil verlaagd zou worden, zouden de rode-lijst-soorten zich nog meer kunnen ontwikkelen en dit zou het natuurdoeltype ten goede komen. Op de rode lijst zijn de planten opgenomen die zeldzaam tot zeer zeldzaam zijn, zie bijlage.
Het zomermaaien heeft zoals hierboven reeds omschreven mede als gevolg dat de plantengroei wijzigt. Ook in de waterhuishouding ligt nog een mogelijkheid om meer soorten planten te laten groeien.
In een aantal kraggen is een waterlens gevormd; door daar sloten of greppels te graven en dus ook deze delen voor het boezempeil te brengen, kunnen ook hier meerdere plantensoorten ontstaan.
Al met al is de verschraling dusdanig dat het merendeel van de planten die er groeien op de rode lijst (hoog dan wel laag genoteerd) staan.
De otter en de vuurvlinder zijn bekende kenmerken van de Weerribben. De otter is het symbool van het Nationaal Park. Het is een diersoort dat bij uitstek in het gebied thuishoort. Hij houdt van vis en rust. In de Weerribben met al dat water en veel vis, is hij dan ook volkomen op zijn plaats. De otter komt in 'mijn' zomermaaiperceel niet voor. Omdat het perceel nabij een camping en bebouwing ligt, is het daar te rumoerig voor hem.
De vuurvlinder behoort tot een zeer zeldzame vlindersoort, die wereldwijd alleen in noordwestoverijssel en in zuidwestfriesland voorkomt. Met zijn fel oranje vleugels is het mannetje goed te herkennen. Ze vliegen in juli en augustus en zijn in de bloemrijke hooilanden regelmatig te zien. De vlinder heeft de ei-afzetting op de waterzuring.
Ter bescherming van de vuurvlinder worden er tellingen gedaan. Indien blijkt dat er vuurvlinder-eitjes zijn, wordt dit aangegeven met rode stokken bij de waterzuring; er mag dan minimaal 1 m2 rondom die stok niet gemaaid worden.
Een aantal jaren geleden heeft men betreffende telling ook in mijn perceel gedaan en er bleken geen vuurvlinders te zijn.
Het doel om door middel van zomermaaien het ontstaan van moerasbos tegen te gaan is mijns inziens behaald, want de percelen zijn mooi 'schoon'.
Daarbij heeft door de verschraling een mijns inziens niet onbelangrijk en zeker niet ongewenst neveneffect plaatsgevonden. Namelijk het ontstaan van andere plantengroei en dan met name zeldzame plantengroei.
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief.
Met Natura 2000 willen we deze flora en fauna duurzaam beschermen. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit de Europese Vogel- en Habitat-richtlijnen; in Nederland vertaald in de Natuurbeschermingswet.
Waarom Natura 2000?
De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren snel achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt.
Wat doet Nederland?
Nederland heeft in eerste instantie totaal 162 gebieden aangemeld om onderdeel uit te maken van het Nederlandse deel van het Natura 2000 netwerk. Inmiddels zijn daar 5 gebieden op de Noordzee bijgekomen.
Hoe ziet het proces eruit?
Het proces ziet er als volgt uit:
1. Een gebied wordt door Nederland aangemeld bij de EU, die het betreffende gebied vervolgens op een lijst van te beschermen gebieden zet.
2. Daarna wordt het gebied door de minister van LNV in een aanwijzingsbesluit aangewezen als Natura 2000-gebied.
3. Nadat het gebied definitief is aangewezen moet een beheerplan worden opgesteld door het bevoegd gezag in het betreffende gebied in samenspraak met alle betrokken partijen in en om het gebied.
Dit is vastgelegd in de Natuurbeschermingswet 1998. In deze wet is Natura 2000 in de Nederlandse regelgeving verankerd.
Wat doen we in een gebied?
Aanwijzing
De minister wijst allereerst een gebied aan als Natura 2000-gebied. Zij doet dit door middel van een aanwijzingsbesluit. Hierin staat welke natuurwaarden (vogels, planten, dieren en hun leefgebieden) we in welke kwaliteit (de doelen) willen beschermen en waar dat moet gebeuren (de exacte begrenzing van het gebied).
Een aanwijzingsbesluit komt tot stand via een openbare voorbereidingsprocedure. Dat betekent dat er eerst een ontwerpversie ter inzage wordt gelegd en dat iedereen hierop een inspraakreactie kan geven. Deze inspraakreacties en de visie daarop van de provincies worden zo veel mogelijk verwerkt en resulteren in een definitief aanwijzingsbesluit. Het gebied is dan officieel een Natura 2000-gebied. Belanghebbenden hebben nog de mogelijkheid om tegen een definitief besluit in beroep te gaan bij de Raad van State.
Beheerplannen
Voor elk Natura 2000-gebied moet een beheerplan worden opgesteld. Hierin staat wat er moet gebeuren om de natuurdoelen voor dat gebied te halen en wie dat gaat doen. Beheerplannen worden opgesteld in nauw overleg met eigenaren, gebruikers en andere betrokken overheden, vooral gemeenten, waterschappen en provincies. In de meeste gevallen neemt de provincie het initiatief bij het opstellen van het beheerplan, in andere gevallen is dat het Rijk.
Wanneer moet alles klaar zijn?
In december 2010 moeten alle 162 gebieden definitief zijn aangewezen, dat wil zeggen dat de definitieve aanwijzingsbesluiten rond moeten zijn. Binnen drie jaar na de definitieve aanwijzing van een gebied moet een beheerplan zijn opgesteld dat vervolgens zes jaar geldig is. Uiterlijk december 2013 moeten er dus definitieve beheerplannen zijn voor alle 162 gebieden.
Voor de 5 gebieden op de Noordzee hangt het verdere verloop af van het moment dat de gebieden op de officiële Europese lijst van te beschermen gebieden worden geplaatst door de EU.
Bron: regioburo natura 2000.
Onderstaande opsomming is gebaseerd op mijn kennis en geheugen.
Wulp, Watersnip, Grasmus, Geelgors, Roodborsttapuit, Paapje, Ringslang, Groene kikker, Rugstreeppad, Salamanders, Dwergmuis, Hooibeestje, Groot dikkopje, Bruine vuurvlinder, Argusvlinder, Vroege en Groene glazenmaker.
Spaanse ruiter, Blonde zegge, Dotterbloem, Bosbies, Veldrus, Klein glidkruid, Vleeskleurige orchis, Melkviooltje, Moerraswespenorchis, Harlekijn, Welriekende nachtorchis, Lage zegge, Blauwe zegge, Breedbladig wollegras, Vlozegge, Knotszegge, Vetblad, Pamassia, Ronde zegge, Paardehaarzegge, Bevertjes, Gevlekte orchis, Addertong, Bonte paardestaart, Moerasstreepzaad, Waterkruiskruid, Echte koekoeksbloem, Kleine valeriaan, Ruw walstro.
De graslanden komen voor op voedselarme, basenhoudende bodems die gedurende de winter het waterpeil tenminste op of rond het maaiveld hebben (O-20cm beneden maaiveld) en in de zomer slechts oppervlakkig uitdrogen. De bodem is vanwege het natte karakter weinig draagkrachtig.
Kwelgebieden in beekdalen of neutrale gebieden in laagveen waar geen polderpeil verlagingen zijn doorgevoerd. Ondiepe begreppeling (max. 30cm) aansluitend op sloten om regenwater af te voeren en verzuring tegen te gaan.
Maaien vanaf 15 juli tot en met 15 september Maaisel afvoeren of verbranden voor 1 november Onderhoud van sloten en greppels.