In de regio N.W. Overijssel bevinden zich de natuurgebieden 'Wieden' en 'Weerribben'.
Het beleid dat in de Weerribben wordt gevoerd valt als volgt te omschrijven: 'Van groot belang is:
a:toerisme;
b: flora en fauna;
c: grootschaligheid;
d: rietteelt (is van minder belang).
Sub a
Als het om toerisme gaat, zijn er bijna geen beperkingen. In het gebied worden kosten noch moeite gespaard voor de recreanten. Er wordt veel tijd en geld gespendeerd aan de promotie van het gebied. Tevens wordt er iedere twee jaar nieuwe bebording / bewegwijzering geplaatst.
Sub b
De flora en fauna wordt belangrijker geacht dan de rietteelt. De mogelijkheden van de rietteelt wordt (naar de mening van de beleidsmakers) ten gunste van de flora en fauna gewijzigd dan wel ingeperkt. Daarbij wordt vergeten dat juist de rietteelt deze flora en fauna bevordert en in stand houdt. Waarom zou er immers in dit gebied dat een lange rietteeltgeschiedenis kent zoveel van deze flora en fauna voorkomen: niet ondanks maar dankzij de rietteelt.
Om ervoor te zorgen dat met name de zeldzame flora en fauna niet verdwijnen, is het van belang de toevoegende waarde van de rietteelt te erkennen en te stimuleren.
Sub c
Staatsbosbeheer beheert momenteel 3.000 tot 3.500 hectare natuurgebied. Dit ziet Staatsbosbeheer graag groeien naar nog meer hectares.
Gezien het feit dat Staatsbosbeheer niet in staat is de nodige beheerswerkzaamheden in het huidige areaal binnen de bepaalde termijnen te realiseren, is het niet wenselijk voor het gebied om dit areaal te vergroten.
Sub d
Uit ervaring weet ik dat rietteelt in de ogen van vogelliefhebbers een storende factor is in het natuurgebied. Rietteelt betekent lawaai, machines en verstoring.
Mede naar aanleiding van een anekdote, ben ik een andere mening toegedaan: In één van de rietpercelen van meneer A was een glee (bruine kiekendief) genesteld; een vogelliefhebber die een boek aan het schrijven was, wilde graag even kijken en foto's maken.
Het gevolg was dat een groot deel van de vogelliefhebbers (die gehoord hadden waar het betreffende nest was) ook het nest bezochten, zodat na 8 weken er geen nest meer was, geen glee en ook geen eieren.
Ondanks de rietteler was er een nest en dankzij de zogenaamde vogelliefhebbers was er geen nest meer!
Helaas kreeg meneer A de schuld van Staatsbosbeheer.
En wat ook jammer is, is dat groeperingen als vogelliefhebbers wel invloed hebben op het beleid aangaande natuurbeheer! (zie voor een gevolg hiervan onder 'rol van landbouw en recreatie' sub b).
In de tijd dat er nog niet zo'n uitgebreide regelgeving was aangaande (akker- en gras-) landbeheer was het ook in dit gebied nog aantrekkelijk om een landbouw- dan wel een veeteeltbedrijf te runnen.
In de huidige tijd met de vele opgelegde beperkingen en snel op elkaar volgende wetswijzigingen aangaande bemesting en beweiding en milieubeheer is dit niet meer het geval.
Voor een grote groep boeren betekent dit dat het meer tijd en geld kost dan het oplevert.
Zoals eerder reeds aangegeven worden de mogelijkheden van de rietteelt (naar de mening van de beleidsmakers) ten gunste van de flora en fauna ingeperkt.
De rietteelt werkzaamheden dienen jaarlijks op 15 april afgerond te zijn, daarna is het gebied namelijk een zogenaamd stiltegebied (met de nadruk op zogenaamd: zie de volgende alinea).
Het doel van deze maatregel is dat de vogels in alle rust hun nesten kunnen bouwen en eieren kunnen leggen en uitbroeden. (hierbij dient opgemerkt dat deze vogels hier ook reeds lange tijd voor deze maatregel jaar in jaar uit nestelden en broedden).
Voor de recreatie geldt deze maatregel echter niet, met als gevolg dat in het zogenaamde stiltegebied vele recreanten met veel plezier en met vooral zeer veel lawaai rondvaren, gedurende de hele dag, gedurende de hele week .
Er wordt zoals reeds eerder vermeld zeer veel geld uitgegeven aan de promotie van het gebied en aan de bebording.
Ondanks bovengenoemde tegenstellingen is en blijft het voor de recreant een prachtige plaats bij uitstek om te vertoeven.
Het deelgebied van mijn keuze is een deel van de Weerribben waarin ik zomermaaibeheer uitvoer.
Hier voigt een beschrijving over dit deelgebied; deze gegevens zijn gebaseerd op 'Natuurgebiedsplan Overijssel'. Zie aldaar.
Dit gebied wordt in de toekomst de verbindingszone tussen de laagveennmoerasgebieden 'de Weerribben'(Ov.) en 'de Rottige Meente' (Fr.)
Daardoor wordt het leefgebied en de uitwisselingsmogelijkheden van dieren (en planten) vergroot.
Dat is van grote betekenis voor de overlevingskansen en het voortbestaan van veel kwetsbare soorten zoals de otter.
De natuurdoeltypen die met dit plan worden nagestreefd zijn een afwisseling van laagveenmoeras, open water, rietland, ruigte en rietcultuur.
Belangrijk is dat de realisatie van de natuurdoeltypen plaatsvindt in een mozaïekpatroon.
Hierdoor ontstaat veel afwisseling en gradaties en dat heeft weer een meerwaarde voor de riet-, water- en moerasvogels (roerdomp, bruine kiekendief) en voor veel planten.
Voor de planten is het van belang dat de teelaarde wordt afgegraven.
De rietcultuur zal voornamelijk geconcentreerd worden langs de randen van het gebied.
Voor een optimaal functioneren van de verbindingszone zou deze bij het boezempeil van de Weerribben en Wieden betrokken moeten worden. Daarvoor is afgraven noodzakelijk.
Er is nog een lange weg te gaan voordat al deze doelen verwezenlijkt (kunnen) worden.
Het onderdeel begrenzing Nieuwe Natuur in Overijssel, is de uitwerking van een deel van de ecologische hoofdstructuur (EHS), zoals die is vastgesteld in het streekplan Overijssel 2000+ . De kern van de EHS bestaat uit een samenhangend stelsel van bestaande bos en natuurgebieden en verbindingszones, die de verschillende onderdelen met elkaar verbinden.
Door Nieuwe Natuur te begrenzen wordt de Subsidieregeling Natuurbeheer van kracht en kan voormalige agrarische grond omgezet worden in natuur. In dit hoofdstuk worden de achtergronden van de te ontwikkelen natuurgebieden nader toegelicht. (In het kader van deze website beperkt tot de gebeden rondom de WEERRIBBEN).
Dit gebied verbindt de laagveenmoerasgebieden de Weerribben en Rottige Meente en vergroot daarmee het leefgebied en de uitwisselingsmogelijkheden van dieren (en planten). Dit is van grote betekenis voor de overlevingskansen en het voortbestaan van veel kwetsbare soorten (o.a. otter).
De natuurdoeltypen die hier worden nagestreefd zijn: een afwisseling van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap), rietland/ruigte en rietcultuur. Belangrijk is dat de realisatie van de natuurdoeltypen plaats vindt in een mozaïekpatroon. Hierdoor ontstaat veel afwisseling en gradienten. Dit heeft een zeer grote meerwaarde voor riet-, water- en moerasvogels (o.a. Roerdomp, Bruine kiekendief) en voor de ontwikkeling van bijzondere moeras- en waterplanten.
Voor dit laatste is het afgraven van de teelaardelaag noodzakelijk. De rietcultuur zal voornamelijk geconcentreerd worden langs de randen van het gebied en bij de weg. Voor een optimaal functioneren van de verbindingszone zou deze bij het boezempeil van de Weerribben en Wieden moeten worden betrokken (afgraving noodzakelijk). Voor de fauna is de weg Steenwijk-Ossenzijl op deze locatie een groot knelpunt.
Het betreft veel graslandjes in en om de Weerribben. De doelstelling is hier botanisch beheer gericht op bloemrijk grasland en nat schraalgrasland (hooiland) en op de ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten met bijzondere plantensoorten. Daarnaast zijn deze perceeltjes ook van grote betekenis voor insecten en vlinders. Voor realisatie van nat schraalgrasland kan lokaal plaggen een goede maatregel zijn.
Ten noorden van het kanaal betreft het van noord naar zuid een overgang van grazige (droge) vegetaties naar riet, water en moeras. Ten zuiden van het kanaal betreft het westelijke deel een afwisseling van riet, water en moeras (mozaïekpatroon) en het oostelijke deel de ontwikkeling van nat schraalgrasland. Voor de realisatie van nat schraal grasland is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk.
In de lagere delen van dit gebied (oostelijk deel) is het natuurdoel een afwisseling van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap) en rietland/ruigte. Voor de ontwikkeling van botanische en aquatische waarden is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk. In het westelijk deel en ten noorden van de Veldhuisweg is het natuurdoel weidevogelbeheer gericht op (zeer) 'kritische' weidevogelsoorten als Watersnip, Siobeend, Zomertaling, Kemphaan, Grutto en Tureluur. Hierbij hoort een waterpeil van ca. 5-25 cm beneden maaiveld met plaatselijk plas-dras situaties. Voor behoud en versterking als broedgebied voor Grutto en Tureluur is een regelmatige bemesting met organische mest (bij voorkeur ruige mest) noodzakelijk. Daarnaast is het doel in dit gebied ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten (botanisch beheer).
In deze polder is het natuurdoel een mozaïek van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap), rietland/ruigte, nat schraalgrasland en rietcultuur. Aanleg dient plaats te vinden in een mozaïekpatroon.
Dit heeft een zeer grote meerwaarde voor bijzondere riet, water- en moerasvogels (o.a. Roerdomp, Bruine kiekendief, Purperreiger, Waterral), maar ook voor het leefgebied van o.a. de Otter. Daarnaast kan in beperkte mate het ontwikkelen van nat schraalgrasland worden nagestreefd. Voor het ontwikkelen van natte schraalgraslanden en voor de ontwikkeling van botanische en aquatische waarden is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk. Om een zo groot mogelijke diversiteit van droog naar nat te krijgen zal reliëf aangebracht moeten worden en is compartimentering binnen dit gebied noodzakelijk. Dit wil zeggen dat als overgang tussen de natuurdoeltypen die onder water komen te staan (riet, open water en moeras, ribben/lage kades moeten worden gemaakt (met bv. riet), van waaruit verdere verlanding kan plaatsvinden. Bij te grote aaneengesloten blokken die onder water verdwijnen zal door wind- en waterbeweging de verlanding niet op gang komen. Langs de bebouwing van Wetering-West wordt een strook opgehoogd. Langs deze strook wordt aan de kant van de nieuwe natuurgebieden relatief diep water (circa 0.8 meter) aangelegd. Samen vormt het een overgangszone van circa 150 meter tussen de nieuwe natuur en de bebouwing. Het westelijk deel van de polder zou tot rustgebied kunnen worden ingericht voor riet-, water- en moerasvogels, reigerachtigen en de Otter. Voor de fauna is de weg Steenwijk-Blokzijl op deze locatie een groot knelpunt.
In deze polder is het natuurdoel een mozaïek van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap), rietland/ruigte en rietcultuur. Aanleg dient plaats te vinden in een mozaïekpatroon. Dit heeft een zeer grote meerwaarde voor bijzondere riet, water- en moerasvogels (o.a. Roerdomp, Bruine kiekendief, Purperreiger, Waterral). Voor de ontwikkeling van botanische en aquatische waarden is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk. Om een zo groot mogelijke diversiteit van droog naar nat te krijgen zal reliëf aangebracht moeten worden en is compartimentering binnen dit gebied noodzakelijk. Dit wil zeggen dat als overgang tussen de natuurdoeltypen die onder water komen te staan (riet, open water en moeras, ribben/lage kades moeten worden gemaakt (met b.v. riet), van waaruit verdere verlanding kan plaatsvinden. Bij te grote aaneengesloten blokken die onder water verdwijnen zal door wind- en waterbeweging de verlanding niet op gang komen. Langs de bebouwing van Wetering-Oost wordt een strook opgehoogd.
Langs deze strook wordt aan de kant van de nieuwe natuurgebieden relatief diep water (circa 0.8 meter) aangelegd. Samen vormt het een overgangszone van circa 150 meter tussen de nieuwe natuur en de bebouwing. Het oostelijk deel van de polder zou, in samenhang met het naastgelegen Woldlakebos, tot rustgebied kunnen worden ingericht voor riet-, water- en moerasvogels, reigerachtigen en de otter.
Home