Hieronder volgt een deel uit het "Natuurgebiedsplan Overijssel" met als ondertitel "Begrenzingenplan voor de nieuwe natuur en beheersgebieden in Overijssel".
Dit plan is vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 25 september 2008. Auteur T. de Kogel.
In het kader van deze website, die o.a. informatie wil verschaffen over de Weerribben, worden slecht die gedeelten uit het plan overgenomen die op dit gebied betrekking hebben.

Inleiding

Hooiland. Stroken door het bos. In dit plan wordt nader uitwerking gegeven aan de begrenzing van de beheersgebieden en de nieuw te ontwikkelen natuurgebieden in Overijssel ter realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur(EHS) en de natuurdoelen buiten de EHS. De EHS in Overijssel is vastgesteld in het Streekplan Overijssel 2000+.

Dit Natuurgebiedsplan is onderverdeeld in zes regio's naar de indeling volgens het Gebiedsgericht werken (GGW). Hoofdstuk 2 geeft een algemene beschrijving van de betreffende gebieden, verdeeld in de verschillende regio's. In hoofdstuk 3 wordt uitwerking gegeven aan de begrenzing van de nieuwe natuur (Subsidieregeling Natuurbeheer). In hoofdstuk 4 wordt uitwerking gegeven aan de begrenzing van het beheersgebied (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer).

Door de begrenzing van het gebied wordt het op basis van vrijwilligheid mogelijk subsidies te krijgen op basis van de Subsieregeling natuurbeheer en Subsidieregeling Agrarisch natuurbeheer. Verwerving van gronden in gebieden aangeduid als "nieuwe natuur" vindt ook plaats op vrijwillige basis. In de beheersgebieden blijft de huidige bestemming van de grand in het bestemmingplan buitengebied van de Gemeente ongewijzigd. In de nieuwe natuurgebieden wordt de bestemming

van de grand pas gewijzigd na verwerving of na het sluiten van een contract volgens de Subsidieregeling Natuurbeheer. Zolang dit niet is gebeurd, blijven aile bestaande ontwikkelingsmogelijkheden voor de agrarische bedrijven behouden.

Landelijk wordt er naar gestreefd om de te ontwikkelen natuurgebieden (nieuwe natuur) in 2018 gerealiseerd te hebben. Gezien de grote extensiveringsbehoefte van de landbouw zal de provincie gedurende de uitvoering van dit plan de voortgang regelmatig evalueren en indien nodig dit plan bijstellen. Ze streeft er naar om hierbij behalve de natuurdoelen ook de structuur van de blijvende landbouwbedrijven te verbeteren. Hierbij zal de provincie streven naar maatwerk in de begrenzing en deze aanpassen indien de natuurdoelen via een andere begrenzing gerealiseerd kunnen worden en hierbij de blijvende landbouwbedrijven versterkt kunnen worden. Deze finetuning van de begrenzing zal plaatsvinden in de integrale gebiedsprocessen die na invoering van het ILG in grote delen van de provincie zijn gestart.

In de beheersgebieden wordt gestreefd naar blijvende landbouw, die mede gericht is op natuur en landschap. Er worden geen onomkeerbare processen ingezet. De aanwijzing als beheersgebied of nieuwe natuur heeft geen gevolgen voor de bestemming in het kader van de ruimtelijke ordening (bestemmingsplan, streekplan) en het water- en milieubeleid.

In dit plan zijn niet de mogelijkheden opgenomen, die het Programma beheer biedt voor landschapsonderhoud. Dit is voor de he Ie provincie reeds gebeurd in het Landschapsgebiedsplan Overijssel. Dit plan is in het voorjaar van 2001 vastgesteld. Op basis van dit Landschapsgebiedsplan zijn beschikkingen voor landschapsonderhoud mogelijk.

Dit natuurgebiedsplan Overijssel is gebaseerd op de provinciale Subsidieregelingen Natuurbeheer en Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer. Op de vaststelling van dit plan is de, in afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

BESCHRIJVING PER REGIO

Regio Noordwest Overijssel

Deze paragraaf heeft betrekking op de gebieden in het Noordwestelijke deel van Overijssel. Het betreft de gemeenten Steenwijkerland en Zwartewaterland. Het gebied wordt begrensd door de provinciegrens (west, noord en oost) en het Zwarte Water en de gemeentegrenzen Staphorst, Zwolle en Kampen.

Natuur en Landschap

In het noorden van de regio liggen de laagveenmoerasgebieden de Wieden en de Weerribben en in het noordoosten ligt het bosgebied van de Wold berg en het landgoed de Eese. Het laagveenlandschap van Wieden en Weerribben is sterk gevarieerd met bosrijke natuurgebieden, met petgaten en legakkers, hooilanden, rietlanden, grote meren en rationeel ingerichte landbouwpolders. De natuurgebieden Wieden en Weerribben beslaan circa 7000 ha. Aan de noord- en westzijde van de Weerribben en langs de west-, zuid-, en oostzijde van de Wieden liggen veenweidegebieden. Het ontginningsgebied rondom Scheerwolde is ten opzichte van het westelijke gebied grootschaliger en wordt intensiever gebruikt door de landbouw. In de zuidwesthoek van het gebied ligt het keileemplateau van het Hoge Land van Vollenhove met zijn kleinschalig landschap. Het gebied van de Woldberg en Eese is een uitloper van het Drentse keileemplateau. Dit gebied loopt door in het kleinschalig landschap van Paasloo. In het zuiden van de regio liggen de uitgestrekte weilanden rondom Genemuiden en Hasselt. Dit gebied is met name belangrijk als weidevogelgebied. Bijzonder in het rivierdal van de Vecht zijn de uiterwaardgebieden bij de monding van de Vecht en het Zwarte Water. Het rivierdal kent veel verschillende biotopen in zowel natte als droge milieus. Zeer bijzonder is met name de aanwezigheid van kievitsbloemterreinen langs de Vecht en Zwarte Water. De belangrijkste natuurwaarden betreffen:

1. De uitgestrekte laagveengebieden met hun bijzondere natuurwaarden;
2. De hogere zandgronden in de omgeving van Paaslo (noorden) en Vollenhove (Noordwesten);
3. De in de ijstijd gevormde keileembult De Woldberg;
4. Het uitgestrekte hoeven- en kampenlandschap met specieke waarden voor weidevogels;
5. De internationale betekenis voor doortrekkende en overwinterende vogelsoorten, zoals Kleine Zwaan en Koligans;
6. De betekenis voor stroomdalflora, die voorkomt op overwallen dijken en graslanden;
7. Het voorkomen van bijzondere geomorfologische verschijnselen.

Landbouw

Hooiland De landbouw is veruit de belangrijkste economische pijler in het gebied. Het gaat hierbij vooral om melkveebedrijven met een gemiddelde omvang. De zuidelijke gebieden in de regio, behoren tot de productiefste melkveegebieden van Overijssel, mede door de vruchtbaarheid van de grond (klei en veen). Het melkquotum ligt in dit gebied gemiddeld circa 20% boven dat van het gemiddelde bedrijf in de provincie.
De gemiddelde oppervlakte van de bedrijven in het noorden van de regio is vrij groot: boven de 30 hectare en ze horen bij de economisch sterkste bedrijven van Overijssel. Veel bedrijven aan de zuid-en westkant (Hoge Land van Vollenhove, Leeuwterveld, Barsbeker Binnenpolder, omgeving Giethoorn/Wanneperveen) zijn kleiner dan gemiddeld en hebben minder vaak een ligboxenstal. De landbouwbedrijven in het vaargebied (Dwarsgracht-Belt Schutsloot) hebben te maken met veel natuurlijke handicaps (moeilijk bereikbaar, nat etc.). De landbouwbedrijven in het Noordoosten (Woldberg) zijn eveneens duidelijk extensiever dan die in de polders.
Vooral in en bij de Weerribben en Wieden is ook sprake van rietteelt en binnenvisserij. Dit gebeurt deels als hoofdberoep en deels als aanvulling op het gezinsinkomen.

Recreatie

De Kop van Overijssel (het noorden van de regio), en dan met name Giethoorn als het Venetië van het Noorden, heeft landelijke bekendheid als recreatieve bestemming. Het waterrijke karakter trekt vele toeristen die het gebied onder meer per kano of electroboot willen verkennen. Dit betreft vooral dagtoeristen; kwalitatief betere toeristische slaapplaatsen zijn in het gebied slechts beperkt voorhanden. Zowel in het Wieden- als Weeribbengebied zijn kanoroutes uitgezet. De Wieden zijn eveneens van betekenis voor de grote watersport. De grote doorgaande vaarwegen maken deel uit van het landelijke hoofdtoervaartnet als staande-mastroute. In het kader van de landinrichting zijn in recente jaren reeds diverse recreatieve fietspaden gerealiseerd.

Het gebied IJsseldelta (in het zuiden van de regio) is gelegen tussen de belangrijke recreatiegebieden van de Kop van Overijssel (zie boven) , het Drents plateau en het Vechtdal. Voor de toerist heeft het gebied relatief minder betekenis. Het Zwarte Water is echter als verbindingsweg belangrijk voor motorvaartuigen.
Voor diverse kernen heeft het gebied vooral een belangrijke functie als recreatief uitloopgebied. Dat geldt onder meer voor Zwolle, Hasselt, Genemuiden en Meppel. De recreatieve medegebruiksmogelijkheden van natuur en landschap zijn in algemene zin matig tot slecht ontwikkeld en hier liggen nog kansen voor recreatie en de stedelijke leefomgeving.

NIEUWE NATUUR (PROVINCIALE
SUBSIDIEREGELING NATUURBEHEER

Het onderdeel begrenzing Nieuwe Natuur in Overijssel, is de uitwerking van een deel van de ecologische hoofdstructuur (EHS), zoals die is vastgesteld in het streekplan Overijssel 2000+ . De kern van de EHS bestaat uit een samenhangend stelsel van bestaande bos en natuurgebieden en verbindingszones, die de verschillende onderdelen met elkaar verbinden .
Door Nieuwe Natuur te begrenzen wordt de Subsidieregeling Natuurbeheer van kracht en kan voormalige agrarische grond omgezet worden in natuur. In dit hoofdstuk worden de achtergronden van de te ontwikkelen natuurgebieden nader toegelicht.

Streefbeeld regio NoordWest Overijssel

Het regio natuurgebiedsplan en beheersgebiedsplan Noordwest Overijssel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de realisatie van het streefbeeld. Op de plankaart(zie' bijlage) staat aangegeven welke gebieden zijn aangewezen als te ontwikkelen "nieuwe natuur".

Binnen deze te ontwikkelen natuurgebieden worden een aantal natuurdoeltypen nagestreefd. Deze behoren voor het grootste deel tot de doeltypen van het laagveengebied, de hogere zandgronden en het rivierengebied. Om een natuurdoeltype te kunnen bereiken zijn in de Subsidieregeling Natuurbeheer (SN) een aantal natuurdoelpakketten opgenomen. De exacte ligging van natuurdoeltypen is nu nog niet per perceel aan te geven. Dit zal bepaald worden in een per perceel of gebied op te stellen inrichtingsplan. Om de natuurdoelen te kunnen bereiken zijn in de meeste gevallen een aantal inrichtingsmaatregelen nodig. Per deelgebied is aangegeven welke natuurdoelen worden nagestreefd

De als nieuwe natuur begrensde weidevogelgebieden in Noordwest-Overijssel zijn vrijwel allemaal ook belangrijke gebieden voor overwinterende ganzen. Het pakket wintergastenweide is hier echter niet opengesteld, omdat het beheer van weidevogels meer eisen stelt en de beschikbare weidevogelpakketten in het algemeen niet strijdig zijn met wintergastenbeheer.

Gebieden rondom de Weerribben

VERBINDING OSSENZIJL

Hooiland Dit gebied verbindt de laagveenmoerasgebieden de Weerribben en Rottige Meente en vergroot daarmee het leefgebied en de uitwisselingsmogelijkheden van dieren (en planten). Dit is van grote betekenis voor de overlevingskansen en het voortbestaan van veel kwetsbare soorten (o.a. otter).
De natuurdoeltypen die hier worden nagestreefd zijn: een afwisseling van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap), rietland/ruigte en rietcultuur. Belangrijk is dat de realisatie van de natuurdoeltypen plaats vindt in een mozaïekpatroon. Hierdoor ontstaat veel afwisseling en gradienten. Dit heeft een zeer grote meerwaarde voor riet-, water- en moerasvogels (o.a. Roerdomp, Bruine kiekendief) en voor de ontwikkeling van bijzondere moeras- en waterplanten.
Voor dit laatste is het afgraven van de teelaardelaag noodzakelijk. De rietcultuur zal voornamelijk geconcentreerd worden langs de randen van het gebied en bij de weg. Voor een optimaal functioneren van de verbindingszone zou deze bij het boezempeil van de Weerribben en Wieden moeten worden betrokken (afgraving noodzakelijk). Voor de fauna is de weg Steenwijk-Ossenzijl op deze locatie een groot knelpunt.

HOOILANDEN WEERRIBBEN EN LAGE WEG

Het betreft veel graslandjes in en om de Weerribben. De doelstelling is hier botanisch beheer gericht op bloemrijk grasland en nat schraalgrasland (hooiland) en op de ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten met bijzondere plantensoorten. Daarnaast zijn deze perceeltjes ook van grote betekenis voor insecten en vlinders. Voor realisatie van nat schraalgrasland kan lokaal plaggen een goede maatregel zijn.

MEENTHEBRUG

Ten noorden van het kanaal betreft het van noord naar zuid een overgang van grazige (droge) vegetaties naar riet, water en moeras. Ten zuiden van het kanaal betreft het westelijke deel een afwisseling van riet, water en moeras (mozaïekpatroon) en het oostelijke deel de ontwikkeling van nat schraalgrasland. Voor de realisatie van nat schraal grasland is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk.

ROOMSLOOT IVELDHUISWEG

In de lagere delen van dit gebied (oostelijk deel) is het natuurdoel een afwisseling van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap) en rietland/ruigte. Voor de ontwikkeling van botanische en aquatische waarden is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk. In het westelijk deel en ten noorden van de Veldhuisweg is het natuurdoel weidevogelbeheer gericht op (zeer) 'kritische' weidevogelsoorten als Watersnip, Siobeend, Zomertaling, Kemphaan, Grutto en Tureluur. Hierbij hoort een waterpeil van ca. 5-25 cm beneden maaiveld met plaatselijk plas-dras situaties. Voor behoud en versterking als broedgebied voor Grutto en Tureluur is een regelmatige bemesting met organische mest (bij voorkeur ruige mest) noodzakelijk. Daarnaast is het doel in dit gebied ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten (botanisch beheer).

POLDER WETERING WEST

In deze polder is het natuurdoel een mozaïek van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap), rietland/ruigte, nat schraalgrasland en rietcultuur. Aanleg dient plaats te vinden in een mozaïekpatroon.
Dit heeft een zeer grote meerwaarde voor bijzondere riet, water- en moerasvogels (o.a. Roerdomp, Bruine kiekendief, Purperreiger, Waterral), maar ook voor het leefgebied van o.a. de Otter. Daarnaast kan in beperkte mate het ontwikkelen van nat schraalgrasland worden nagestreefd. Voor het ontwikkelen van natte schraalgraslanden en voor de ontwikkeling van botanische en aquatische waarden is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk. Om een zo groot mogelijke diversiteit van droog naar nat te krijgen zal reliëf aangebracht moeten worden en is compartimentering binnen dit gebied noodzakelijk. Dit wil zeggen dat als overgang tussen de natuurdoeltypen die onder water komen te staan (riet, open water en moeras, ribben/lage kades moeten worden gemaakt (met bv. riet), van waaruit verdere verlanding kan plaatsvinden. Bij te grote aaneengesloten blokken die onder water verdwijnen zal door wind- en waterbeweging de verlanding niet op gang komen. Langs de bebouwing van Wetering-West wordt een strook opgehoogd. Langs deze strook wordt aan de kant van de nieuwe natuurgebieden relatief diep water (circa 0.8 meter) aangelegd. Samen vormt het een overgangszone van circa 150 meter tussen de nieuwe natuur en de bebouwing. Het westelijk deel van de polder zou tot rustgebied kunnen worden ingericht voor riet-, water- en moerasvogels, reigerachtigen en de Otter. Voor de fauna is de weg Steenwijk-Blokzijl op deze locatie een groot knelpunt.

POLDER WETERING OOST

In deze polder is het natuurdoel een mozaïek van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap), rietland/ruigte en rietcultuur. Aanleg dient plaats te vinden in een mozaïekpatroon. Dit heeft een zeer grote meerwaarde voor bijzondere riet, water- en moerasvogels (o.a. Roerdomp, Bruine kiekendief, Purperreiger, Waterral). Voor de ontwikkeling van botanische en aquatische waarden is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk. Om een zo groot mogelijke diversiteit van droog naar nat te krijgen zal reliëf aangebracht moeten worden en is compartimentering binnen dit gebied noodzakelijk. Dit wil zeggen dat als overgang tussen de natuurdoeltypen die onder water komen te staan (riet, open water en moeras, ribben/lage kades moeten worden gemaakt (met b.v. riet), van waaruit verdere verlanding kan plaatsvinden. Bij te grote aaneengesloten blokken die onder water verdwijnen zal door wind- en waterbeweging de verlanding niet op gang komen. Langs de bebouwing van Wetering-Oost wordt een strook opgehoogd.
Langs deze strook wordt aan de kant van de nieuwe natuurgebieden relatief diep water (circa 0.8 meter) aangelegd. Samen vormt het een overgangszone van circa 150 meter tussen de nieuwe natuur en de bebouwing. Het oostelijk deel van de polder zou, in samenhang met het naastgelegen Woldlakebos, tot rustgebied kunnen worden ingericht voor riet-, water- en moerasvogels, reigerachtigen en de otter.

Gebieden rondom de Wieden

MUGGENBEET/LEEUWTERVELD/DUINIGERMEER

Hooiland met Noordervenebos op de achtergrond Het natuurdoel in dit gebied is vooral gericht op weidevogelbeheer, m.n. gericht op (zeer) 'kritische' weidevogelsoorten als Watersnip, Siobeend, Zomertaling, Kemphaan, Grutto en Tureluur. Hierbij hoort een waterpeil van ca. 5-25 cm beneden maaiveld met plaatselijk plas-dras situaties. Voor behoud en versterking als broedgebied voor Grutto en Tureluur is een regelmatige bemesting met organische mest (bij voorkeur ruige mest) noodzakelijk. Plaatselijke ontwikkeling van plekken die in het voorjaar plas-dras staan komt de weidevogelstand ten goede. In de winterperiode is het gebied ook van grote betekenis voor ganzen. Daarnaast is het doel in dit gebied ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten (botanisch beheer). Rond het Duinigermeer en langs het Giethoornse meer kan een overgangsgebied worden gemaakt met laagveenmoeras.

VERBINDING LEEUWTERVELDIVOLLENHOVERMEER

Dit gebied verbindt het laagveenmoerasgebied de Wieden met het Vollenhovermeer. In deze verbindingszone is het natuurdoel een mozaïek van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap), en rietland/ruigte. Aanleg dient plaats te vinden in een mozaïekpatroon. Dit heeft een zeer grote meerwaarde voor bijzondere riet, water- en moerasvogels (o.a. Roerdomp, Bruine kiekendief, Purperreiger, Waterral). Voor de ontwikkeling van botanische en aquatische waarden is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk. Om een zo groot mogelijke diversiteit van droog naar nat te krijgen, zal reliëf aangebracht moeten worden en is compartimentering binnen dit gebied noodzakelijk. Dit wil zeggen dat als overgang tussen de natuurdoeltypen die onder water komen te staan (riet, open water en moeras, ribben/lage kades moeten worden gemaakt (met b.v. riet), van waaruit verdere verlanding kan plaatsvinden. Bij te grote aaneengesloten blokken die onder water verdwijnen zal door wind- en waterbeweging de verlanding niet op gang kemen. Voor het binnendijkse deel wordt, gezien de waterkwaliteit van het Ettenlandsch kanaal (inlaat), een inrichting buiten de directe invloedssfeer van dit kanaal voorgestaan. Voor het buitendijkse deel wordt naast bovengenoemde natuurdoeltypen ook bloemrijk nat (schraal)grasland nagestreefd. Gezien de kalkhoudende bodem is dit een veelbelovende optie.

LEEUWTE-BARSBEEK -WOLDWEG

Dit gebied ligt op de overgang van het Hoge Land van Vollenhove en het laagveenmoeras. Het natuurdoel is botanisch beheer gericht op bloemrijke natte (schraal)graslanden (hooiland) en bloemrijke sloten en slootranden met bijzondere plantensoorten. Daarnaast is dit gebied ook van grote betekenis voor insecten en vlinders. Voor realisatie van nat schraalgrasland kan locaal plaggen een goede maatregel zijn.

BARSBEKERBINNENPOLDER

Het natuurdoel in dit gebied is vooral gericht op weidevogelbeheer, m.n. gericht op (zeer) 'kritische' weidevogelsoorten als Watersnip, Siobeend, Zomertaling, Kemphaan, Grutto en Tureluur. Hierbij hoort een waterpeil van ca. 5-25 cm beneden maaiveld met plaatselijk plas-dras situaties. Voor behoud en versterking als broedgebied voor Grutto en Tureluur is een regelmatige bemesting met organische mest (bij voorkeur ruige mest) noodzakelijk. Plaatselijke ontwikkeling van plekken die in het voorjaar plas-dras staan komt de weidevogelstand ten goede. In de winterperiode is het gebied ook van grote betekenis voor ganzen. Daarnaast is het doel in dit gebied ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten (botanisch beheer). In het noordoostelijk deel van de polder is het natuurdoel botanisch beheer gericht op bloemrijke natte (schraal)graslanden (hooiland). Tussen het weidevogelgebied en de nieuwbouw van Zwartsluis komt een ongeveer 150 meter brede overgangszone met rietteelt en open water (zoetwatergemeenschap). Inrichting dient zodanig plaats te vinden dat het open karakter van de polder blijft behouden.

ZWARTE MEER

De natuurdoelen zijn hier weidevogelgrasland en nat schraalgrasland (Kievitsbloemhooilanden). Het weidevogelbeheer is m.n. gericht op (zeer) 'kritische' weidevogelsoorten als Watersnip, Siobeend, Zomertaling, Kemphaan, Grutto en Tureluur. Hierbij hoort een waterpeil van ca. 5-25 cm beneden maaiveld met laatselijk plas-dras situaties. Voor behoud en versterking als broedgebied voor Grutto en Tureluur is een regelmatige bemesting met organische mest (bij voorkeur ruige mest) noodzakelijk. Plaatselijke ontwikkeling van plekken die in het voorjaar plas-dras staan komt de weidevogelstand ten goede.
In de winterperiode is het gebied ook van grote betekenis voor ganzen. Daarnaast is het doel in het weidevogelgebied ontwikkeling van bloemrijke sloten en slootkanten (botanisch beheer). Voor een duurzaam behoud en ontwikkeling van Kievitsbloemgraslanden zijn korte overstromingen in winter en voorjaar noodzakelijk, gevolgd door een periode waarin de bodem langzaam droogt. Het doorsteken van de zomerkades op enkele plaatsen is hiervoor noodzakelijk. De meest kansrijke percelen kunnen als Kievitsbloemgrasland worden ingericht. Bij de keuze voor een inrichting met een afwisseling van Kievitsbloemgrasland en bemeste percelen voor weidevogels in een mozaïekpatroon, zullen ook deze graslanden als broedgebied kunnen fungeren voor weidevogels.

GROENE KRUISPUNT

Hooiland Dit betreft de verbinding van de Wieden naar het gebied Oldenmaten. Natuurdoelen zijn hier de afwisseling van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap), rietcultuur, rietland/ruigte en beperkt bloemrijk grasland. Het accent ligt hier sterk op rietcultuur. De moerasstrook dient aan te sluiten op het als nieuwe natuur begrensde gebied Kraanerweerd (Natuurgebiedsplan Ijsseldelta-Rouveen-Reest). Ontwikkeling van bloemrijk grasland is alleen (zeer beperkt) mogelijk op de relatief minder natte delen van het gebied (zodat een peilbeheer met rietland kan worden gehanteerd).


VERBINDING WEERRIBBEN-WIEDEN (HEVENWEG)

Dit betreft 74 ha nieuwe natuur in de verbinding tussen Weerribben en Wieden Natuurdoelen zijn hier: versterken van de bestaande waarden voor weidevogels, en ontwikkeling van riet, water en moeras.

POLDER GIETHOORN EN BEULAKKERPOLDER

In de polder Giethoorn en Beulakerpolder is het natuurdoel een mozaïek van laagveenmoeras, open water (zoetwatergemeenschap), rietland/ruigte en rietcultuur. Aanleg dient plaats te vinden in een mozaïekpatroon. Dit heeft een zeer grote meerwaarde voor bijzondere riet, water- en moerasvogels (o.a. Roerdomp, Bruine kiekendief, Purperreiger, Waterral). Voor de ontwikkeling van botanische en aquatische waarden is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk.
Om een zo groot mogelijke diversiteit van droog naar nat te krijgen zal reliëf aangebracht moeten worden en is compartimentering binnen dit gebied noodzakelijk. Dit wil zeggen dat als overgang tussen de natuurdoeltypen die onder water komen te staan (riet, open water en moeras) ribben/lage kades moeten worden gemaakt (met bv. riet), van waaruit verdere verlanding kan plaatsvinden. Bij te grote aaneengesloten blokken die onder water verdwijnen zal door wind- en waterbeweging de verlanding niet op gang komen. Voor riet-, water- en moerasvogels en de Otter zijn rustgebieden essentieel (zonering).

HOGE LAND VAN VOLLENHOVE

Voor het hoge land van Vollenhove was aanvankelijk 50 ha nieuwe natuur beschikbaar. Hiervan is inmiddels ca. 20 concreet begrensd. De overige 30 ha is niet begrensd in dit natuurgebiedsplan. Deze oppervlakte wordt wel gereserveerd voor dit gebied (dit is met een ster op de kaart aangegeven). Zodra er een begrenzingsvoorstel is van de landinrichtingscommissie Noordwest Overijssel zal deze verwerkt worden in dit natuurgebiedsplan.
Deze oppervlakte nieuwe natuur is bedoeld voor de aanleg van houtwallen, poelen op het gehele hoge land van Vollenhove en voor de ontwikkeling van een geschikt biotoop voor de Knoflookpad in het Heetveld.

GIETHOORN-WANNEPERVEEN

Bestaande begrenzing: In dit gebied zijn de natuurdoelen: weidevogelgrasland voor (zeer) kritische weidevogels (Watersnip, Siobeend, Zomertaling, Grutto, Tureluur), bloemrijk grasland/nat schraalgrasland (hooiland), behoud waardevolle sloot- en slootkantvegetaties, laagveenmoeras, open water en rietland en ruigte. In het oostelijk deel van het gebied betreft het hoofdzakelijk weidevogelgrasland en waardevolle sloot- en slootkantvegetaties. In de westkant van het gebied ligt het accent op bloemrijk grasland/schraalgrasland (hooiland).
In het noordoostelijke deel (hoogwaterzone) en zuidelijk deel (eiland) is het doel laagveenmoeras, open water en rietland en ruigte t.b.v. riet-, water- en moerasvogels (o.a. Purperreiger, Roerdomp, Bruine kiekendief) en o.a. de Otter (reeds ingericht). In de graslanden langs de Zomerdijk (zuidelijk deel) is het doel bloemrijk grasland/nat schraalgrasland, laagveenmoeras, open water en rietland en ruigte.
De begrenzing tussen het Zuideindigerwijde en Bovenwijde heeft als doel beide gebieden met elkaar te verbinden met een natte zone (oud riet, water, moeras en bloemrijk grasland). Voor de ontwikkeling van botanische en aquatische waarden is het verwijderen van de teelaardelaag noodzakelijk.

VAARGEBIED DWARSGRACHT -BELT -SCHUTSLOOT

De natuurdoelen zijn hier bloemrijk grasland/nat, schraalgrasland (hooiland) en in beperkte mate (open gebied direct oostelijk en westelijk van Giethoornse meer) weidevogelgrasland en behoud waardevolle sloot- en slootkantvegetaties.

WOLDBERG

Op de Woldberg is het natuurdoel de ontwikkeling van bloemrijk grasland/schraalgrasland. In de delen van het gebied waar het keileem ondiep zit (voorheen begrensd als natuurontwikkelingsgebied) zijn door het verwijderen van de voedselrijke teelaardelaag de beste kansen voor ontwikkeling van schraalgrasland. Daarnaast bestaat hier de mogelijkheid voor de aanleg van houtwallen en poelen.

OEVERLANDEN ZWARTE WATER

Hooiland Het betreft het noordelijk deel van de oeverlanden van het Zwarte Water, tussen Zwolle en Zwartsluis en het gebied Langenholte aan de zuidzijde van de Vecht de uiterwaarden aan weerszijden van het Zwarte Water. De oeverlanden zijn een van de belangrijkste groeiplaatsen van de Kievitsbloem in Noordwest-Europa. Op de dijken groeien bijzondere planten als Muizeoortje, Wilde tijm en Knolboterbloem. In de percelen komen soorten voor als Koekoeksbloem, Gulden boterbloem en Grote pimpernel. Daarnaast is het gebied van betekenis als weidevogelgebied voor o.a. Grutto en Tureluur. In de aanwezige reservaten komen zeer kritische weidevogels Siobeend, (Kemphaan) en kwartelkoning voor. In de winter is dit buitendijks gebied zeer belangrijk voor doortrekkende eenden, ganzen en zwanen, met name de kleine zwaan. De natuurdoeltypen die hier worden nagestreefd zijn:
Kievitsbloemgrasland, nat soortenrijk grasland, soortenrijk weidevogelgrasland en in beperktere mate moeras. Het natuurdoel weidevogelbeheer is gericht op (zeer) kritische weidevogelsoorten als Grutto, Tureluur, Kemphaan, Siobeend. Hierbij is het streven een waterpeil van ca. 5-25 cm beneden maaiveld met plaatselijk plas-dras-situaties. Voor behoud en ontwikkeling van de weidevogelstand is een regelmatige bemesting met organische mest (bij voorkeur ruige mest) noodzakelijk.

CELLEMUIDEN

Dit betreft het binnendijkse deel van de polder Cellemuiden. Dit is een belangrijk weidevogelgebied voor m.n. de Tureluur en Grutto. Dit gebied heeft veel potenties voor versterking van de weidevogelstand. Het natuurdoel is weidevogelbeheer gericht op (zeer) kritische weidevogelsoorten als Grutto, Tureluur, Kemphaan, Siobeend. Hierbij is het streven een waterpeil van ca. 5-25 cm beneden maaiveld met plaatselijk plas-dras-situaties. Voor behoud en ontwikkeling van de weidevogelstand is een regelmatige bemesting met organische mest (bij voorkeur ruige mest) noodzakelijk.

Home